laatst bijgewerkt:9 september 2010 - 09:32uur

De 4 havezathen van Dwingeloo
Een website maken
align=left
align=left
align=left








Een havezate (of havezathe of havesate) is een versterkt huis (burcht), hofsteden, hof of hoeve. Oorspronkelijk was het een benaming voor een grote boerderij met land, later een speciale term voor landelijke huizen, waarvan de bewoners speciale rechten genoten. Dit laatste meestal in verband met ridderschap. Ten zuidwesten van Dwingeloo is het landgoed van huize Oldengaerde te vinden, een goed bewaarde Drentse havezate uit de vijftiende eeuw (verbouwd in 1717). Het lanen- en grachtenstelsel dateren eveneens uit die tijd. In de tuin achter de havezate is een 'Grand Canal' aanwezig, een smalle rechthoekige vijver. Samen met nog drie Havezathen, namelijk Batinge, Entinge en Westrup maken deze vier havezathen onderdeel uit van het Gemeentewapen.
 
Oldengaerde
  Batinghe  Entinge  Westrup
 
Oldengaerde
 

De geschiedenis van de Oldengaerde gaat terug naar 1420, toen Reynolt van Echten zich vestigde op zijn familiebezit te Dwingeloo. Hij liet er vermoedelijk een rechthoekig huis bouwen, aan drie kanten omringd door een gracht. Nicolaas van Echten werd vanwege Oldengaerde in 1598 toegelaten tot de Ridderschap van Drenthe. Op 17 november 1600 behoorde hij tot de eerste twee uit de Ridderschap gekozen leden van het pas opgerichte College van Gedeputeerden, het dagelijkse bestuur van de provincie. Zijn broer Reinolt erfde Oldengaerde in 1613. Hij was getrouwd met Anna van Welvelde en had drie kinderen. De jongste zoon Johan erfde Oldengaerde. Diens dochter Anna Elisabeth in 1658 huwde met luitenant Cornelis van Dongen.

In 1660 droeg het gehele bezit over aan deze schoonzoon. De Oldengaerde kwam in 1713 in handen van zijn tweede zoon Cornelis jr. Hij was één van de belangrijkste inwoners van Oldengaerde en degene die het meest zijn stempel op het huis heeft gedrukt. In de voorgevel van Oldengaerde bevinden zich twee stenen, waarop ‘Anno' en ‘1717' staat, hetgeen slaat op een grootscheepse verbouwing die Cornelis van Dongen in dat jaar liet uitvoeren en waarbij het huis zijn huidige vorm kreeg. Het toen aangelegde lanen- en grachtenstelsel rond Oldengaerde is ook sindsdien nauwelijks meer veranderd.

De Van Dongens hebben in de achttiende eeuw veel Drentse havezaten in bezit gehad, waaronder Westrup te Dwingeloo. Hierheen verhuisde de familie, nadat zij in 1781 Oldengaerde wegens hoge schulden moesten verkopen.

Na enige verschillende eigenaren werd in 1808 jonkheer Aalt Willem van Holthe bezitter. Al snel vervulde hij bestuurlijk ambten in Drenthe, zo was hij van 1812 tot 1852 burgemeester van Dwingeloo. Van Holthe was er tevens de belangrijkste huiseigenaar en grootgrondbezitter: hij was eigenaar van veertien huizen in het dorp, waaronder de Franse huizen, en van ongeveer 280 hectare land. Zijn achterkleinzoon Johannes Govert Westra van Holthe was vanaf 1916 eigenaar van Oldengaerde. In 1924 werd hij benoemd tot burgemeester van Dwingeloo.

De havezate en omringende landen zijn na enige toewijzingen thans in onverdeeld eigendom van vier dochters van wijlen mevrouw I.E.C. Willinge-Westra van Holthe. Het huis en de tuinen zijn in 2004 in het geheel aangewezen tot Rijksmonument.

Lees de volledige tekst op de site van Stichting Dwingels Eigen

 

>terug naar boven>
 
Batinghe


foto Drents Archief: Havezate Batinge had een bijna on-Drentse omvang en allure en een uitgestrekte Franse tuin
 

De vroegste vermelding van het huis Batinge dateert van halverwege de 14e eeuw; toen het in het bezit was van het geslacht Van Ansen. Het goed kwam daarna in eigendom van de familie De Vos van Steenwijk. Dwingeloo is dan ook de stamplaats van dit bekende Nederlandse adellijke geslacht.
In 1509 werd Georg Schenck, baron van Tautenburg, eigenaar. Schenck veranderde de middeleeuwse hofstede tot een verdedigbaar fort door het te omgeven met wallen en een slotgracht. Dat dit nodig was bleek wel door een aanval van Gelderse troepen in 1527. Als wraak plunderden zij Batinge met zijn bijhuizen en staken het in brand. Hij huwde voor de tweede maal met gravin Johanna van Egmond in 1526.
Zijn zoons Karel en Frederik volgden hem op als heer van Batinge. Na de dood van Frederik, aartsbisschop van Utrecht, in 1580 kwam er onenigheid over zijn nalatenschap. Batinge werd onder andere toegewezen aan Joachim van den Boetzelaer, maar zijn neef Johan van den Clooster nam het huis met gewapende hand in. Pas in 1601 werden zijn zonen door stadhouder graaf Willem van Nassau verdreven.

Joachim's zoon Rutger is één van de bekendste eigenaren van Batinge. Hij liet rond 1650 Batinge verbouwen tot een huis van aanzien. De volgende verbouwperiode kwam in 1685 met de nieuwe eigenaar Elbert Anthonie van Pallandt, drost van Drenthe van 1685 tot zijn dood in 1701. Van Pallandt vergrootte de havezate tot een paleisje van ‘on-Drentse' allure. Het kon vergelijkingen met de beroemde landhuizen in het midden en westen van Nederland weerstaan. Ook de tuinen werden niet vergeten. Het eindresultaat is te bewonderen op een vogelvluchttekening.

In de achttiende en vroege negentiende eeuw behoorde Batinge toe aan de familie Van Heeckeren. Zij resideerden voornamelijk op het huis Nettelhorst bij Lochem, Batinge werd daarom vaak verhuurd.
In 1830 verkochten zij het landgoed Batinge aan Aalt Willem van Holthe, heer van de Oldengaerde en Rheebruggen. Hij was voornamelijk geïnteresseerd in de bijbehorende gronden en rechten (het collatierecht) van Batinge. Twee jaar later brak hij het eens zo illustere huis af.
Een gedeelte van één van de bouwhuizen werd verbouwd tot boerderij en de tuinen kwamen in gebruik als weiland.

Tot 1994 hebben hier nazaten van de al in de achttiende eeuw op Batinge wonende hoveniersfamilie Eggink het boerenbedrijf uitgeoefend. Tegenwoordig herinneren de boerderij en het grachten- en lanenstelsel nog aan de glorie van de voormalige havezate. In de grond bevinden zich nog de fundamenten.

Lees de volledige tekst op de site van Stichting Dwingels Eigen 

>terug naar boven>

 

Entinge
Honderd meter ten oosten van Batinge ligt de huisplaats van de havezate Entinge. Tot circa 1457 loopt de geschiedenis van de Entinge synchroon met die van Batinge. Na een boedelscheiding in dat jaar werden beide goederen verdeeld, waardoor Entinge toeviel aan Roelof de Vos van Steenwijk. Zijn kleindochter Rudolpha huwde in 1513 met de uit Westfalen afkomstige edelman Borchart van Westerholt, waardoor Entinge aan dit geslacht kwam.

De familie Van Westholt heeft tot 1640 Entinge in eigendom gehad; de erfgenamen van Bernard van Westerholt, keizerlijk generaal-majoor, verkochten het gehele bezit aan Rutger van den Boetzelaer, heer van Batinge. Na zijn dood in 1668 kwam de havezate in handen van Rutger van Lohn. Hij bewoonde Entinge niet, maar verhuurde het aan de schulte van Dwingeloo, Jan Coerts Prins. In 1680 verkocht Van Lohn Entinge aan Nicolaas van Echten.
Van Echten liet Entinge na aan Nicolaas Harmen van Echten, genaamd van Dongen. Hij verkocht op zijn beurt het goed aan Elbert Anthony Gerard van Heeckeren, heer van Batinge in 1725. Van 1735 tot ca. 1740 werd de havezate bewoond door diens weduwe.

Een jaar later werd Entinge afgebroken. In 1830 wordt de huisplaats van Entinge eigendom van Aalt Willem van Holthe tot Oldengaerde.  Tegenwoordig is het in handen van diens nazaten. De fundamenten van de havezate bevinden zich nog in de grond.

Lees de volledige tekst op de site van Stichting Dwingels Eigen 
 
>terug naar boven>


Westrup

 Schuin tegenover de Franse huizen, aan de noordkant van Dwingeloo, staat de havezate Westrup. Het recht van havezate gaf de eigenaar toegang tot de Ridderschap van Drenthe. Tot het eind van de zeventiende eeuw wat het in bezit van de familie Van den Clooster. In 1722 werd oud-majoor Frans Willem de Carpenter eigenaar, die in 1731 overleed.
Via enige verkopingen kwam het in 1740 in bezit van Cornelis van Dongen tot Oldengaerde die op het huis het recht van havezate van het huis Westdorp bij Borger liet leggen.Westdorp verbasterde naderhand tot Westrup. Cornelis van Dongen liet Westrup vergroten tot een herenhuis, maar ook na deze verbouwing telde het huis slecht een benedenverdieping met een zolderetage. Wel wordt in 1742 vermeld dat ‘de havezate Westerop merkelijk grooter dan bevoorens' was. Ook de tuinen werden door van Dongen aangepakt.
Kort nadat zijn zoon Isaac van Dongen in 1781 Oldengaerde had verkocht ging ook Westrup, zonder recht van havezate, in de verkoop. De eigenaren werden, voor twee-derde deel, de oud-schulte van Dwingeloo, Jan Prins, en voor een-derde deel de uit Assen afkomstige advocaat Petrus Hofstede.

De familie Prins verhuurde Westrup van 1829 aan de Dwingeler geneesheren J. Crebas en J. Heppener. In 1843 liep het huurcontract met Heppener af, waarna deze een ander huis in Dwingeloo betrok. Westrup werd verhuurd aan mr. H.H. Sluis die van 1835 tot 1842 notaris te Nijensleek was geweest en van koning Willem I toestemming kreeg zijn notariaat over te brengen naar Dwingeloo.
De functie van notariaat heeft Westrup sindsdien tot op de dag van vandaag behouden. De opvolger van notaris Sluis, mr. Wicher Oncko Servatius, kocht in 1864 het huis van J. Prins. De nieuwe eigenaar verhoogde zowel het aanzien als de waarde van het huis aanzienlijk door er in 1870 een tweede verdieping op te plaatsen.

De huidige eigenaar, mr. A.H.C. van Drooge heeft Westrup in 1985 grondig gerestaureerd.

Lees de volledige tekst op de site van Stichting Dwingels Eigen  


>terug naar boven>


Terug

 
Donaties worden gebruikt voor de ontwikkeling, het onderhoud en de hosting van deze internetsite.













align=left  
COLOFON
Dwingeloo-centraal.nl elke dag up to date met alles over het mooie Dwingeloo
------------------------- 

align=left

 

info@impulse-gd.com
-------------------------
Tel.  +18...
Fax: +44 2081814584
align=left
align=left








  
align=left







 
align=left
align=left
align=left
align=left






   
align=left
align=left
align=left
align=left
align=left
align=left
align=left   align=left